Luik 4.1. Fijn Stof

Inleiding

In Vlaanderen wordt de blootstelling aan luchtverontreiniging (o.a. ozon, PM10) als één van de belangrijkste problemen voor de gezondheid ervaren. De luchtvervuiling met zwevende stofpartikels is wat de gezondheidsrisico’s betreft de belangrijkste vorm van luchtverontreiniging. Zwevend stof wordt in verband gebracht met hart- en luchtwegklachten en vervroegde sterfte. De aandacht gaat hier steeds meer naar de kleinste deeltjes (PM2.5 en PM0.1), die het diepst in de longen doordringen, waarbij ook de chemische samenstelling van belang is in het kader van hun toxische gevolgen.

Onderzoek Fijn Stof

Epidemiologische studies toonden aan dat de inhalatie van fijn stof, oftewel PM (Particulate Matter) geassocieerd is met acute en subacute effecten. De meeste studies die de effecten van fijn stof bestudeerden, maakten gebruik van externe meetstations als referentie. Gebruik van meetstations als een surrogaat voor persoonlijke blootstelling resulteert onoverkomelijk in een meetfout waardoor “random errors” verhogen en de statistische significantie van de associatie van het gezondheidseffect met luchtvervuiling gereduceerd wordt. Interne biomerkers van blootstelling aan fijn stof zijn slechts weinig onderzocht.
Recent is het gebruik van koolstofdeeltjes (de gemiddelde koostofoppervlakte) in macrofagen uit de luchtwegen voorgesteld als een merker van persoonlijke blootstelling aan fijn stof. Deze methode is echter zeer tijdrovend, wat het niet geschikt maakt voor epidemiologische studies op grote schaal. In onze studie gebruiken we de fagocytotische capaciteit van alveolaire macrofagen (AM) om de impact van fijn stof op het bronchoalveolaire oppervlak van volwassenen te bepalen Het doel van deze studie is om de mediane koolstofoppervlakte te meten in longmacrofagen bij transplantpatiënten die routinematig bronchioalveolaire lavage ondergaan, waarbij de koolstofbelasting van de longmacrofagen geassocieerd zal worden met de gemiddelde jaarlijkse PM2.5 concentratie (Grid 4x4 km, RIO-model). Daarnaast wordt ook de koolstofbelasting met andere celkarakteristieken (granulociteit en celoppervlakte) gemeten. Voor de bepaling van grootte, concentratie en vorm van fijnstofdeeltjes in longen (http://www.lungvision.com/) om hun toepasbaarheid en betrouwbaarheid na te gaan zal contact worden gelegd met de ‘commerciële analyse- en onderzoeksmethode’.
Door validatie van een biomerker voor lange termijnblootstelling aan koolstofpartikels ook te meten bij een subgroep van de deelnemers van het biomonitoringsproject, of bij een specifieke groep ouderen kunnen we deze parameter ook inzetten in het biomonitoringsluik.

Aansluitend op voorgaande epidemiologisch en experimenteel onderzoek willen we de relevantie van bovenstaande bevindingen toetsen in een longitudinale epidemiologische studie, waarbij rekening kan worden gehouden met verschillende verstrengelde variabelen om inzicht te krijgen in individuele factoren die de gevoeligheid voor de acute effecten van fijne stofdeeltjes bepalen. Om dit mogelijk te maken zullen we een cohort van patiënten (diabetici, COPD) opvolgen waarbij cardiovasculaire en respiratoire parameters bij dezelfde persoon tijdens de verschillende seizoenen zullen worden bestudeerd in relatie tot de fijn stofconcentratie.  De intratracheale toediening van dieselpartikels bij proefdieren leidt tot een verhoogde tromboseneiging. Patiënten met diabetes hebben al een verhoogde tromboseneiging en vormen dus een relevante groep om de effecten van fijn stof te bestuderen. De hoge prevalentie van diabetes (80 per 10000 bij 60-jarigen) en dat deze groep mogelijk gevoeliger is voor de effecten van luchtverontreiniging maakt dit onderzoek relevant.

Staff

Promotor Benoit Nemery De Bellevaux,
Vakgroep Arbeids-, Milieu- en Verzekeringsgeneeskunde,
Katholieke Universiteit Leuven
  Wetenschappelijk medewerker Tim Nawrot
Vakgroep Arbeids-, Milieu- en Verzekeringsgeneeskunde,
Katholieke Universiteit Leuven