Luik 4.4. Opvolging neuro-motorische ontwikkeling en astma en allergie bij kinderen.

Inleiding

De kinderen die als pasgeborenen deelnamen aan het vorige biomonitoringsonderzoek (2001-2006) zullen verder worden opgevolgd. Doel hiervan is het verzamelen van follow-up data, met behulp van vragenlijsten over de algemene gezondheidstoestand en meer specifiek over astma en allergie, groei en de neuro-motorische ontwikkeling (schoolresultaten en ADHD)

Onderzoek

Het luik Neurotoxicologie van het 1° Steunpunt Milieu en Gezondheid had onder meer tot doel na te gaan of het meten van gedrag als sensitieve en betrouwbare parameter voor het opsporen van neurotoxiciteit van milieutoxines met oestrogeendisruptor-capaciteiten haalbaar is. Er kon inderdaad vastgesteld worden dat deze parameter zeer gevoelig is voor het aantonen van toxische effecten, zeer eenvoudig te meten is en een quasi onbestaande interobserver variabiliteit heeft, wat hem zeer geschikt maakt als screeningstechniek in grote bevolkingsgroepen (Vermeir en Viaene, 2006). Voor andere onderzoeksmethoden werd dit al bewezen (IQ schattingen, vragenlijsten naar ADHD-spectrum, vragenlijsten naar depressie-spectrum,…). Daarbij blijken geen grote onderzoeksgroepen nodig te zijn (100-200) om effecten te kunnen aantonen.
De oudere toxines zijn gekend en maatregelen werden genomen, waardoor ze langzaam uit ons milieu zullen verdwijnen. In het kader van de huidige kennis moet er toch gedacht worden nog verdere maatregelen te treffen om toxische metalen, zoals Pb en Cd, en PCB’s nog sneller uit onze omgeving te krijgen en zeker nieuwe contaminatiebronnen aan banden te leggen.
Voor nieuwere polluenten die een lange half-waardetijd in ons milieu hebben en dus met tijd zeker zullen overgaan van een industrieel chemicalium naar een milieucontaminant moet er een biomonitoring én bio-effectmonitoring worden opgesteld op minstens 3 momenten in het leven om vroegtijdige neurotoxiciteit te detecteren. En dit voordat de contaminant pandemisch wordt en de gevolgen bijzonder moeilijk in te dijken zijn, zoals in het verleden is gebleken met Pb, Cd, Hg, PCBs,… . In het kader van de monitoring van gezondheidseffecten van milieufactoren zal gepoogd worden een continue monitoring van een doorsnede van de populatie op te zetten via het aanleggen van een biobank (bloed- en urinestalen), en dit minstens op drie momenten: de pasgeborene (meten van prenatale blootstelling), het jonge kind en de jonge adolescent. De opvolging van deze kinderen kan vanaf dat punt gedaan worden met vragenlijsten (beginnend prenataal) naar o.a. ontwikkeling, motorische end-points, concentratie- en impulsiviteit en gender-linked gedrag. De tijdsspanne van de nieuwe biomonitoringcampagne laat echter niet toe deze nieuwe cohortes te testen met een selectie van gevoelige neuroperformantietesten. Door basisgegevens nu al prospectief te verzamelen kan dit echter in een volgende faze gepland en uitgevoerd worden met testen die eenvoudig te hanteren zijn en aan te leren zijn aan veldwerkers (op de leeftijd van 4 en 16 jaar). Door een dergelijk continue monitoring van neurotoxische effecten bij kinderen en jong volwassenen te linken aan elke nieuwe campagne van biomonitoring kunnen mogelijke effecten snel geassocieerd worden aan nieuwe chemicaliën die in het milieu komen en kunnen nieuwe inzichten snel worden toegepast.

Staff

Promotor-coördinator Nik Van Larebeke,
Vakgroep Radiotherapie en Kerngeneeskunde,
Universiteit Gent
   
Promotor Greet Schoeters,
Departement Milieutoxicologie,
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO)
  Wetenschappelijk medewerkster Elly Den Hond, Departement Milieutoxicologie,
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO)
Promotor veldwerk Vera Nelen,
Provinciaal Instituut voor Hygiëne
Wetenschappelijk medewerkster Els Van De Mieroop
Provinciaal Instituut voor Hygiëne
Promotor Mineke Viaene,
Neurotoxicologisch Expertisecentrum,
Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis Geel
  Wetenschappelijk medewerker Griet Vermeir,
Neurotoxicologisch Expertisecentrum,
Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis Geel
Promotor Kristine Desager,
Vakgroep Pediatrie, Faculteit geneeskunde,
Universiteit Antwerpen