“Mijn bloed is van mij en daar moet iedereen vanaf blijven”. Waarom jongeren weigeren deel te nemen aan het biomonitoringsonderzoek.

Aangezien ze nog geen auto mogen rijden, zijn jongeren vaste gebruikers van milieuvriendelijke transportmiddelen, zoals het openbaar vervoer en de fiets. Maar het lijkt wel of ze verder niet wakker liggen van de milieu- en gezondheidsproblematiek. Althans, dat zouden we kunnen concluderen uit de talloze weigeringen die het Steunpunt Milieu en Gezondheid kreeg voorgeschoteld toen het 14- en 15-jarigen vroeg om deel te nemen aan hun grootschalige biomonitoringscampagne.

Karen Goeyens
Vrije Universiteit Brussel

Bert Morrens
Universiteit Antwerpen

De biomonitoringscampagne

Net als zeven jaar geleden, organiseert het Steunpunt Milieu en Gezondheid ook nu weer een humaan biomonitoringsonderzoek bij pasgeborenen, jongeren en volwassenen verspreid over heel Vlaanderen. De bedoeling is om na te gaan wat de gevolgen zijn van het milieu op de gezondheid. Om deel te nemen dient een vragenlijst te worden ingevuld, en wordt een bloed- , urine-, en/of haarstaal genomen. (Meer hierover kunt u lezen op de website van het Steunpunt Milieu en Gezondheid, klik hier.)

Magere opkomst

In 2002 ontving het Steunpunt Milieu en Gezondheid een goede opkomst van jongeren voor het biomonitoringsonderzoek. Er werd daarom ditmaal geen seconde getwijfeld om deze leeftijdgroep op dezelfde manier te recruteren, namelijk via scholen. Naargelang de grootte van iedere Vlaamse provincie werden via een toevallige steekproef één of meerdere scholen per provincie geselecteerd. Bij deze scholen werd contact opgenomen met de directies en vervolgens werden de klassen van het derde middelbaar bezocht.

De opkomst van de jongeren was ditmaal aardig kleiner: meer dan de helft weigerde deel te nemen aan ons onderzoek. “Wat is er in die zeven jaar tijd dan zo veranderd?”, vroegen wij ons af. Al polsend bij de veldwerkers van het Provinciaal Instituut voor Hygiëne, die onder andere de scholen bezochten en de bloedprik namen, kregen we onder andere reacties over een te magere beloning, het potje urine dat de leerlingen van thuis mee naar school moesten brengen en de te lange haarpluk die werd afgeknipt. (U kan hierover ook lezen in het artikel van Els Van de Mieroop (PIH), ‘Gezocht: Jongeren voor een biomonitoringsonderzoek’, klik hier.)

Op zoek naar antwoord

Het Steunpunt Milieu en Gezondheid besloot de reden achter deze magere opkomst te achterhalen via een steekproef. Door de onderzoekers van de Universiteit Antwerpen (zie medewerkers steunpunt) werd een vragenlijst opgesteld die vervolgens werd afgenomen bij zowel leerlingen die deelnamen als weigerden van drie scholen. De vragenlijst polst enerzijds naar hun motivatie tot deelname of weigering, en anderzijds naar hun interesse in milieuproblemen in het algemeen.

Ondanks het feit dat de directies van de bezochte scholen erg vriendelijk en behulpzaam waren, merkten we al snel dat we niet de enigen waren die langskwamen met een vragenlijstje of enquête. Een van de directeurs vertelde dat zijn school constant werd opgezadeld met vragenlijsten over diverse onderwerpen, gaande van drugs en geweld op school tot zakgeld en vrijetijdsbesteding. Ook voor de leerkrachten was dit niet altijd even aangenaam. De lespakketten zijn zo uitgebreid, dat een lesuurtje missen vanwege het zoveelste onderzoek, niet altijd in dank wordt afgenomen.

Onze vragenlijst werd ingevuld door 106 leerlingen uit 7 verschillende klassen van drie verschillende scholen. In deze klassen zaten zowel jongens als meisjes, zowel leerlingen van het algemeen, technisch als beroepsonderwijs en zowel leerlingen die deelnamen als niet deelnamen aan ons onderzoek. Laten we beginnen met degenen die niet hebben deelgenomen.

De weigeraars

Meer dan 70% van de jongeren die de vragenlijst invulde, nam niet deel aan het biomonitoringsonderzoek. Aan deze jongeren werd gevraagd om de drie belangrijkste redenen op te geven waarom ze niet hebben deelgenomen. Tot onze grote verbazing bleek de bloedprik voor de meesten de reden tot weigeren. De meerderheid wijt het aan schrik hebben van bloed, de naald of de prik. Één jongere schreef: “Mijn bloed is van mij en daar moet iedereen afblijven”.

Desinteresse in het onderzoek blijkt de tweede belangrijkste reden te zijn om deelname te weigeren. Deze jongeren signaleerden dat ze het onderzoek niet nuttig vinden, of gewoonweg geen tijd hebben om zich ermee bezig te houden. Een aantal jongeren zegt niet mee te doen omdat ze zich geen zorgen maken over milieuvervuiling in hun buurt of de impact van vervuiling op hun gezondheid. “Als ik vervuilende stoffen in mijn lichaam had, dan had ik het allang geweten”, schrijft iemand.

Op de derde plaats verschijnt de urinestaal. Dat werd gevraagd om een potje met urine mee naar school te nemen, werd door velen als bijzonder onaangenaam ervaren. De meesten vreesden dat iemand anders het zou vinden in hun boekentas, of erger nog, dat het zou lekken. Anderen bleken ongerust te zijn dat iets abnormaals in hun urine zou worden gevonden. Eentje schreef zelfs: “Mijn urine is privé en mag niet onderzocht worden.”

Als we nu jongens en meisjes apart bekijken, valt het op dat vooral meisjes de staalnames van bloed, urine en haar als voornaamste redenen tot weigering opgaven. Meisjes geven bijna dubbel zo vaak dan jongens aan dat de belangrijkste reden om te weigeren het nemen van een bloedstaal is (38,2% t.o.v. 20%). Jongens daarentegen toonden eerder geen interesse in het onderzoek.

Zouden deze jongeren dan wel hebben deelgenomen indien er geen bloedprik of urinestaal werden genomen? In de vragenlijst wordt ook gepolst naar wat hun eventueel toch had kunnen overtuigen om aan het onderzoek mee te doen. En inderdaad, ongeveer de helft van de jongeren blijkt deelname te overwegen als de bloedprik geen voorwaarde is. Het zijn vooral meisjes die dit aangeven. Ongeveer 20% is te overtuigen indien het urinestaal op school in plaats van thuis zou worden genomen. Bij deze jongeren zien we geen verschillen tussen jongens en meisjes .

En hoe zit het met de beloning, twee filmtickets of een Fnac-bon? Was deze daadwerkelijk te mager, zoals de veldwerkers ons lieten weten? Absoluut! De helft van alle jongeren zegt overtuigd te kunnen worden door een gratis toegangsticket voor een pretpark, net zoals in de eerste biomonitoringscampagne. Ruim 20% kan verleid worden tot deelname door 4 in plaats van twee filmtickets. We stellen verder vast dat jongens vaker niet tevreden zijn over de beloning dan meisjes.

De deelnemers

Nog geen derde van de ondervraagde jongeren nam deel aan het biomonitoringsonderzoek. Net zoals bij de weigeraars, vroegen we de deelnemers naar de drie belangrijkste redenen van hun deelname. Hieruit bleek dat de beloning voor de meeste deelnemers toch doorslaggevend was (ondanks het feit dat deze volgens vele weigeraars wat aantrekkelijker had mogen zijn). Daarnaast gaven jongeren aan toch ook interesse in het onderzoek zelf te hebben. Zij wilden wel eens weten welke vervuilende stoffen in hun lichaam zitten. Anderen wilden dan weer gewoon een bijdrage leveren aan het biomonitoringsonderzoek.

Ook vroegen we de deelnemers op te sommen wat ze het leukst en het vervelendst vonden aan het onderzoek. Het zal u niet verwonderen dat de beloning en het missen van een lesuur als leukst werd ervaren. De bloedprik evenwel, die door de weigeraars werd opgegeven als belangrijkste reden om niet mee te doen, wordt hier door de deelnemers positief geëvalueerd. Slechts 10% van de deelnemers vond de bloedprik vervelend. Wat de jongeren wel heel vervelend vonden, was het meebrengen van de urinestaal. 40% beoordeelde dit als negatief. Dit was het minst gunstig geëvalueerde facet van het hele onderzoek. Op de tweede plaats komt het invullen van de vragenlijst.

Welke factoren beïnvloeden de kans op deelname aan humane biomonitoring?

We vroegen ons ook af of bepaalde factoren of kenmerken van jongeren hun deelname aan ons humaan biomonitoringsonderzoek beïnvloeden. Met behulp van een regressieanalyse krijgen we hier een beeld van. Aangezien de steekproef niet representatief is, moeten we deze resultaten wel voorzichtig interpreteren.

We stellen vast dat de belangrijkste verklarende factor het lidmaatschap aan een jeugdbeweging is. Onder de deelnemers is meer dan de helft lid van een jeugdbeweging (53,3%), terwijl het lidmaatschap onder de weigeraars nog geen 20% bedraagt. Zou dit te maken kunnen hebben met het grotere maatschappelijke engagement van leden van een jeugdbeweging? Zijn zij makkelijker te overtuigen om mee te doen aan een studie over milieuvervuiling? We weten het niet met zekerheid, maar opvallend is verder wel dat dit verband niet geldt voor lidmaatschap van andere verenigingen, zoals sportclubs en muziek- of toneelverenigingen.

Ook geslacht verklaart in onze steekproef een deel van de bereidheid tot deelname. Meisjes doen vaker mee dan jongens. Dit is opvallend, want uit de bevraging van de veldwerkers bleek net het omgekeerde.
Op de derde plaats komt de perceptie van een lokaal milieuprobleem. Jongeren die aangeven dat er in hun woonomgeving sprake is van een milieuprobleem nemen vaker deel aan de humane biomonitoring. Vooral vervuiling door verkeer en uitlaatgassen wordt hier vaak vermeld.

Tot slot zijn er indicaties dat ook het milieuwereldbeeld van jongeren meespeelt in het al dan niet deelnemen aan het onderzoek. Via een aantal gestandaardiseerde stellingen (het zogenaamde 2-MEV model) peilden we naar de houding van jongeren ten aanzien van natuur en milieu. De resultaten suggereren – zij het op een niet-statistisch significante manier – dat jongeren die de natuur en haar hulpbronnen eerder als een nutsvoorwerp beschouwen (utilitaire visie) minder geneigd zijn om deel te nemen aan humane biomonitoring terwijl jongeren die de natuur een intrinsieke waarde toekennen en attitudes vertonen pro behoud van de natuur (preservatieve visie) meer geneigd zijn om deel te nemen.

Conclusie

  • Jongeren weigeren het vaakst deelname aan humane biomonitoring omwille van het bloedstaal, maar wie toch meedoet aan het onderzoek beoordeelt de afname van bloed niet negatief. De bloedprik kan echter niet als verklaring dienen voor het verschil met de opkomst van jongeren in 2002. Tijdens deze eerste biomonitoringscampagne werd immers ook bloed geprikt. Op de tweede plaats weigeren jongeren vooral uit desinteresse in het onderzoek. Een grotere beloning zou volgens deze jongeren helpen, hoewel ook hier blijkt dat er onder de deelnemers grote tevredenheid is over de beloning.
  • Meisjes en jongens weigeren om andere redenen. Meisjes weigeren vaker omwille van onderzoekstechnische redenen (afnemen stalen), jongens meer uit desinteresse met het onderzoek.
  • Het meebrengen van een urinestaal naar school wordt door de deelnemers aangeduid als het minst aangename aspect van het hele onderzoek.
  • Er zijn indicaties dat een sterk maatschappelijk engagement en een uitgesproken milieubewuste houding de kans op deelname aan humane biomonitoring vergroten.