Wat gebeurde er met de resultaten van de eerste Vlaamse humane biomonitoringcampagne (2002-2006)? Fase II van het faseplan.
Om de resultaten van de Vlaamse humane biomonitoringcampagne (2002-2006) te vertalen naar beleidsacties werd een geïntegreerd faseplan opgesteld. In de eerste fase formuleerden experten uit verschillende domeinen en een jury van maatschappelijke groepen adviezen over de prioritair te behandelen onderwerpen. Op basis van deze adviezen kozen de bevoegde ministers twee opvallende bevindingen voor verdere behandeling in het faseplan: (i) verhoogde serumwaarden aan gechloreerde verbindingen bij deelnemers uit het landelijke aandachtsgebied (figuur 1) en (ii) verhoogd voorkomen van astma in stedelijke gebieden zoals Gent en Antwerpen. Meer hierover in het artikel 'Discussie over prioriteiten: welke biomonitoringsresultaten zijn prioritair voor het beleid?'.
Om te komen tot concrete beleidsacties werd er in fase II verder onderzoek verricht naar oorzaak en bron en werden voorstellen geformuleerd voor een actieplan. De twee cases volgden hierin een verschillend traject. Dit artikel brengt verslag van het onderzoek in deze tweede fase. In het artikel 'Antwoord van het Vlaamse milieu- en gezondheidsbeleid: de actieplannen ‘gechloreerde verbindingen en ‘astma’ worden de resulterende actieplannen verder toegelicht.
An Colles, Gudrun Koppen, Greet Schoeters
VITO
Bert Morrens, Hans Keune
Universiteit Antwerpen
Caroline Teughels, Karen van Campenhout
Vlaamse overheid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, Dienst Milieu en Gezondheid
Gechloreerde verbindingen in het landelijke aandachtsgebied
Om deze studie verder te onderzoeken en beleidsacties uit te werken, besliste de stuurgroep van het faseplan een plan van aanpak op te stellen. Dit omvat zowel brononderzoek naar de oorzaak van deze verhoogde waarden als het formuleren van concrete beleidsacties.
Over welke verbindingen gaat het?
- Hexachlorobenzeen of HCB is een schimmelwerend middel voor planten, zaden en granen dat in België verboden is sinds 1974 (Belgische Senaat, 2004). Omdat het moeilijk wordt afgebroken, is het nog steeds in het milieu aanwezig.
- Dichloordifenyldichloorethaan of p,p’-DDE is een afbraakproduct van het insecticide dichlorodifenyltrihcloorethaan, beter gekend als DDT. Dit was het meest gebruikte insecticide tot midden jaren ’60 en sinds 1976 verboden in België (Belgische Senaat, 2004). DDT is goed vetoplosbaar en stapelt zich op in de voedselketen.
- Polychloorbifenylen of PCB’s zijn een groep van 209 chemische verbindingen die door de industrie ondermeer gebruikt werden in transformatoren en condensatoren. Productie en gebruik van PCB’s is sinds 1986 verboden in België (Belgische Senaat, 2004). Toch komen PCB’s nog in het milieu terecht door lekken uit toestellen en afval verbranding.
- Dioxineachtige stoffen komen vrij bij onvolledige verbrandingsprocessen zoals afvalverbranding en verwarmingssystemen (vooral houtkachels). Ze zijn vetoplosbaar, stapelen zich op in de voedselketen en kunnen lang in het milieu aanwezig blijven.
Is de blootstelling overal in het landelijke aandachtsgebied dezelfde?
![]() |
Het landelijke aandachtsgebied is samengesteld uit 5 clusters gemeenten, verspreid over Oost- en West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Geografische analyse toonde aan dat deze vijf deelgebieden ook verschillen in blootstelling aan de gechloreerde stoffen (figuur 2). In de Zwalmstreek waren er significant meer deelnemers met hogere p,p’-DDE-waarden (boven de 90ste percentiel). In de regio Diksmuide was dit het geval voor HCB en in de regio van de Gentse kanalen voor PCB156 (Colles et al., 2008). |
Hoe komen deze stoffen in de mens terecht?
De gemeten concentraties aan PCB’s en aan de gechloreerde pesticiden zijn sterk met elkaar gecorreleerd in het landelijke aandachtsgebied zowel bij de pasgeborenen, de adolescenten als de volwassenen. Deelnemers met hoge waarden aan PCB’s hebben dus meestal ook hoge waarden aan HCB en/of p,p’-DDE (Colles et al., 2008). Dit versterkt de hypothese dat PCB’s, HCB en p,p’-DDE (allen goed vetoplosbaar) via dezelfde blootstellingsweg in het menselijk lichaam terecht komen. Dit neemt echter niet weg dat de polluenten van verschillende bronnen kunnen afkomstig zijn.
![]() |
Analyse van de vragenlijsten toonde aan dat consumptie van voeding uit eigen tuin of van een lokale teler en stookgedrag de belangrijkste levensstijlfactoren zijn die significant verschillen tussen deelnemers uit het landelijke aandachtsgebied en de overige aandachtsgebieden (Colles et al., 2008). Statistische analyse (stepwise multivariaat regressie) bracht ook aan dat deze parameters de kans op hogere bloedgehalten aan gechloreerde verbindingen doen stijgen. |
Uitsluiting van deelnemers die positief scoren voor deze levensstijlfactoren leidt echter niet tot het verdwijnen van de significante verschillen tussen beide groepen (landelijk versus niet-landelijk) in aantal deelnemers met waarden boven het referentiegemiddelde. Er zijn dus nog andere factoren, bijvoorbeeld historische blootstelling, die een rol spelen in de verhoogde waarden van deze verbindingen in het landelijke aandachtsgebied.
Worden de hoge serumgehalten aan gechloreerde verbindingen ‘bevestigd’ in het milieu?
Concentraties van deze gechloreerde verbindingen lijken in waterige milieus onder controle (MIRA, 2007a; MIRA, 2007b; VMM, 2003). In waterbodems en in palingen zijn er nog verschillende meetpunten in landelijk Oost- en West-Vlaanderen waar (sterk) afwijkende waarden worden gemeten ten opzichte van de referentietoestand (MIRA, 2007c; MIRA, 2007a; Geeraerts et al., 2007).
![]() |
Verschillende studies naar contaminatie in eieren toonden aan dat eieren van kippen van particulieren veel hogere waarden aan dioxineachtige stoffen, PCB’s en DDT bevatten dan eieren van commerciële bedrijven (FAVV, 2002; Pussemier et al., 2004; Van Overmeire et al., 2006; WIV, 2008). Dioxineachtige stoffen ontstaan bij onvolledige verbrandingsprocessen. Stoken van afval in open vuren en tonnetjes is dan ook een belangrijke bron in Vlaanderen (MIRA, 2007d). Gegevens over het verbranden in open vuren en tonnetjes zijn moeilijk te verkrijgen en beperken zich momenteel tot informatie over het aantal klachten. Uit een bevraging door de Medisch Milieukundigen in Oost-Vlaanderen bij gemeentebesturen en politiezones bleek dat het aantal binnengelopen klachten niet noodzakelijk overeenkomt met het aantal hinderbronnen (Medisch Milieukundigen Oost-Vlaanderen, 2006). |
Astma in stedelijke gebieden
Voor deze case is verder brononderzoek niet aangewezen. Geraadpleegde experten en juryleden uit fase I erkennen dat onderzoek naar de oorzakelijke verbanden tussen het verhoogd voorkomen van astma en milieuvervuiling optimaal kadert in een Europese studie. Op Vlaams niveau kan de overheid wel bijkomende maatregelen en acties uitwerken om de problematiek van astma in stedelijk gebied (en bij uitbreiding in heel Vlaanderen) verder aan te pakken en kennisleemtes op te vullen. De bevoegde ministers engageerden zich daarom om voor de case van astma in Gent en Antwerpen in fase II van het faseplan een ‘actieplan astma’ te ontwikkelen met mogelijk te ondernemen acties, complementair aan de reeds lopende beleidsinitiatieven op het vlak van milieu en volksgezondheid. Dit actieplan wordt in een volgend artikel voorgesteld.
Over welke resultaten gaat het?
![]() |
Moeders van pasgeborenen uit de steden Antwerpen en Gent melden significant meer voorkomen van astmasymptomen ten opzichte van het referentiegemiddelde. Bij de jongeren en de volwassenen is de trend van hogere percentages astma in de steden ook aanwezig, maar de verschillen tussen de gebieden zijn niet significant. Wel werd bij de 14-15 jarige jongeren een associatie vastgesteld tussen jaargemiddelde gemodelleerde NO2-concentraties en astmasymptomen gerapporteerd voor dat jaar. |
Uitwerking van het actieplan astma
Ter voorbereiding en ondersteuning van de opmaak van het actieplan astma werd een brainstormsessie georganiseerd waarbij diverse relevante actoren en experten om hun input werd gevraagd. De geïnventariseerde informatie werd hierbij ter hun beschikking gesteld. De brainstormsessie verliep volgens de elementen van de Delphi-methode, een dialectisch proces van herhaalde bevraging van deskundigen en een bundeling en uitwisseling van opvattingen.
Het proces bestond uit twee Delphi-rondes:
- Inzamelen van diverse beleidsvoorstellen aan de hand van een brede schriftelijke consultatie waaraan 17 experten van verschillende disciplines deelnamen
- een kleinschalig rondetafelgesprek met 9 experten om de ingezonden beleidsvoorstellen te bespreken en te rangschikken
De experten benadrukten het belang van een ruime focus voor het ontwerpactieplan. Het actieplan mag niet louter gericht zijn op het verminderen van de incidentie van astma, maar ook op het aanpakken van een aantal astma uitlokkende omgevingsfactoren (bv: verkeerpollutie, tabaksrook, ...).
De experten bevestigen bovendien dat het binnenmilieu vaak meer vervuild en meer schadelijk is dan het buitenmilieu en dat vooral kinderen en toekomstige moeders de belangrijkste doelgroepen zijn en de combinatie privéwoningen en scholen de belangrijkste locaties.Toch stellen de deelnemers duidelijk dat het actieplan zich best niet uitsluitend richt op specifieke locaties en doelgroepen. Acties moeten gericht zijn op het binnen- én het buitenmilieu, op het individuele én het collectieve niveau, op gevoelige doelgroepen én op de algemene bevolking. Het actieplan astma moet met andere woorden wat doelgroepen en locaties betreft geen ‘of-of’ maar zoveel mogelijk een ‘en-en’ verhaal zijn. Hierbij werden volgende grote prioriteiten geselecteerd, waarbij gezondheidsimpact en beleidshaalbaarheid als voornaamste criteria voor de rangschikking werden aangegeven:
- Meer aandacht voor ventilatie van het binnenmilieu: ventilatie bevordert de verdunning van tabaksrook, chemische stoffen en allergenen. Het is aangewezen hierbij nieuwe doelgroepen (bouwsector, energiesector, inspectie huizen, …) te betrekken en te zorgen voor een betere verspreiding van bestaande informatie.
- Verkeerspollutie terugdringen als bron van buitenhuispolluenten: de experten stellen voor de focus hier te leggen op schoolverkeer en eventueel een proefproject uit te schrijven voor scholen.
- Tabaksverslaving terugdringen, waarbij de focus moet liggen op jongeren en jonge ouders. Er kunnen extra middelen voorzien worden om het zorgaanbod uit te breiden.
- Detectie astma verbeteren door astmavragen op te nemen in het schoolonderzoek door het CLB.
- Informatie- en sensibilisatiemateriaal rond astma beter verspreiden, bestaand materiaal bundelen en nieuwe doelgroepen (vooral huisartsen) betrekken.
De astmaproblematiek kan als een goede indicator gebruikt worden voor meer algemeen milieu- en gezondheidsbeleid, aangezien de literatuur en de geconsulteerde experten een relatie vermoeden met omgevingsfactoren (bv verkeerspollutie, chemische producten, tabaksrook,...).
Referenties:
- Belgische Senaat zitting 2004-2005, 14 december 2004. Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake persistente organische stoffen en met de Bijlagen, gedaan te Aarhus op 24 juni 1998.
- Colles A, Koppen G, Schoeters G. Faseplan: gechloreerde verbindingen in het landelijke aandachtsgebied. VITO-rapport 2008/TOX/R/102. 2008
- FAVV. Aanwezigheid van dioxine in eieren van scharrelkippen bij particulieren, Advies 2002/35 van het Wetenschappelijk Committee: 2002 http://www.afsca.be/home/comsci/avis02_nl.asp
- Geeraerts C, Goemans G, Quataert P, Belpaire C. Ecologische en ecotoxicologische betekenis van verontreinigende stoffen in paling. Studie uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA, MIRA/2007/05, INBO/R/2007/40. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. p. 207. 2007
- Koppen G, Keune H, Casteleyn L, Wildemeersch D, Aerts D, Schoeters G. Conceptueel fasenplan voor actie bij het beschikbaar komen van de milieugezondheidsgegevens van het Humaan Biomonitoringsprogramma in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap, VITO rapport, 2005/TOX/R/066. 2005
- Medisch Milieukundigen Oost-Vlaanderen Resultaten bevraging: Illegale verbranding, wat doen we ermee? Ondersteuningscel LOGO’s, pp. 4. 2006
- MIRA Milieu- en natuurrapport Vlaanderen, Achtergronddocument 2007, Verspreiding van PCB’s, M. Wevers, H. Van Hooste, Vlaamse Milieumaatschappij, 2007a
- MIRA Milieu- en natuurrapport Vlaanderen, Achtergronddocument 2007, Verspreiding van bestrijdingsmiddelen, Claeys S., Steurbaut W., Theuns I., De Cooman W., De Wulf E., Eppinger R., D’hont D., Dierckxens C., Goemans G., Belpaire C., Wustenberghs H., den Hond E., Peeters B., Overloop S., Vlaamse Milieumaatschappij, 2007b
- MIRA Milieurapport Vlaanderen, MIRA Achtergronddocument 2007, Kwaliteit oppervlaktewater, De Cooman W., Peeters B., Theuns I., Vos G., Lammens S., Debbaudt W., Timmermans G., Meers, B., Van Erdeghem M., Van Wauwe P., Callebaut R., Barrez I., Van den Broeck S., Emery J., Van Volsem S., Bursens K., Van Hoof K., D’Heygere T., Soetaert H., Martens K., Baten I., Goris M., Haustraete K., Breine J., Van Thuyne G., Belpaire C., Smis A., 2007c
- MIRA Milieu- en natuurrapport Vlaanderen, Achtergronddocument 2007, Verspreiding van POV’s, M. Wevers, R. De Fré, G. Schoeters, C. Matheeussen, H. Van Hooste, Vlaamse Milieumaatschappij, 2007d
- Morrens B, Keune H, Colles A, Koppen G, Loots I. Verslag desk research en brainstorm actieplan astma. Fase II case astma in stedelijk gebied. Faseplan Biomonitoring. Rapport Steunpunt Milieu en Gezondheid, Onderzoeksgroep Faseplan, december 2008.
- Pussemier L, Mohimont L, Huyghebaert A, Goeyens L. Enhanced levels of dioxins in eggs from free range hens; a fast evaluation approach, Talanta 63, 1273. 2004
- Steunpunt Milieu en Gezondheid. Vlaams humaan biomonitoringsprogramma 2002-2006. 2006
- Van Overmeire I, Pussemier L, Hanot V, De Temmerman L, Hoenig M, Goeyens L. Chemical contamination of free-range eggs from Belgium, Food Additives and Contaminants 23, 1109. 2006
- VMM Gewasbeschermingsmiddelen in regenwater in Vlaanderen – Rapport over 2002, Aalst. 2003
- WIV (Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid) Contaminatie van kippeneieren afkomstig van kippen gehouden door particulieren. Onderzoeksproject RT-06/9-CONTEGG. 2008




