Ministers kiezen welke biomonitoringresultaten prioritair zijn voor beleid

In het kader van het faseplan met betrekking tot de beleidsvertaling van de biomonitoringresultaten lag in 2007 de vraag naar prioriteitstelling op basis van de gezondheidskundige ernst voor. Welke meetresultaten van de humane biomonitoring zijn de meest prioritaire om verder aangepakt te worden binnen het milieu- en gezondheidsbeleid? Een selectie van de meest ernstige meetresultaten van de afgelopen periode 2002-2006 werd in 2007 voor beoordeling voorgelegd aan een keur van experten en van advies voorzien door een jury bestaande uit maatschappelijke belangengroepen. In nummer 14 van de Biomonitor werd over de procedure bericht. In deze Nieuwsflits wordt bericht welke beslissing de Ministers van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin op basis van deze procedure genomen hebben.

Hans Keune (UA, Steunpunt Milieu en Gezondheid)
Karen Van Campenhout (departement Leefmilieu, Natuur en Energie)
Hana Chovanova (Toezicht Volksgezondheid)

Actieplan

In opdracht van de Vlaamse overheid werd tijdens de periode 2002-2006 een grootschalig meetprogramma, het Vlaams Humaan Biomonitoringsprogramma, uitgevoerd. Het meetnetwerk heeft als doelstelling om gegevens te verzamelen over de blootstelling aan milieupolluenten en hun mogelijke relatie met gezondheidseffecten. Het meetprogramma is uitgevoerd door het Steunpunt Milieu en Gezondheid. De gemeten polluenten zijn gechloreerde verbindingen, zware metalen, PAK’s en benzeen. De gemeten gezondheidseffecten betreffen onder andere astma, DNA-schade, puberteitsontwikkeling en kanker. Drie verschillende leeftijdsgroepen, pasgeborenen, jongeren en oudere volwassenen, werden bemonsterd in acht verschillende aandachtsgebieden (http://www.milieu-en-gezondheid.be/). Op basis van de onderzoeksresultaten wil de Vlaamse overheid onder andere de concentraties aan polluenten in de mens bewaken en peilen naar de invloed van ons leefmilieu op de volksgezondheid. Omdat het om een veelheid aan metingen bij verschillende leeftijdsgroepen in verschillende meetgebieden gaat, is het voor de Vlaamse overheid echter noodzakelijk prioriteiten te stellen.
Eerder al werd in de Biomonitor verslag gedaan van het faseplan dat de Vlaamse overheid in samenwerking met het Steunpunt Milieu en Gezondheid ontwikkelde. Het faseplan stuurt de verdere interpretatie en beleidsvertaling van de biomonitoringresultaten (zie het archief van de Biomonitor). In verschillende fasen wordt achtereenvolgens ingezoomd op de ernst met betrekking tot de volksgezondheid van bepaalde meetresultaten, de mogelijke oorzaken van vastgestelde afwijkingen en de aanpak van mogelijke milieubronnen. De expertronde waarin externe experten worden geconsulteerd en een jurydiscussie waarin ook maatschappelijke actoren betrokken worden vormen essentiële onderdelen van het fasenplan.

Welke biomonitoringresultaten lagen ter discussie voor?

Op basis van een voorselectie door wetenschappers van het Steunpunt Milieu en Gezondheid is een beperkte lijst biomonitoringresultaten (cases) voorgelegd aan experten en een jury, om advies te krijgen over het stellen van prioriteiten door de Vlaamse overheid. De voorselectie hield rekening met de volgende aspecten:

  • Een vergelijking met internationale advieswaarden en internationale meetwaarden (voor zover beschikbaar)
  • Berekende referentiewaarde (een soort gemiddelde voor alle meetgebieden van de biomonitoring)
  • Afwijkende meetresultaten bij adolescenten werden meer relevant gevonden aangezien zij een beeld geven van polluenten die nog tamelijk recent in het lichaam opgenomen werden: het betreft hier relatief actuele milieu - gezondheidsproblemen.
  • Een consequente verhoging in de drie leeftijdsgroepen werd als prioritair beschouwd
  • Kadering in reeds lopende actieplannen bv. Actieplan cadmium

De cases die aan de experten en de jury werden voorgelegd, zijn de volgende:

  1. Dioxine, PCB’s en HCB in landelijke gemeenten
  2. Dioxineachtige stoffen in Antwerpen (agglomeratie + haven)
  3. Benzeen in Antwerpen (agglomeratie), Roeselare en Sint-Niklaas (verbrandingsovens)
  4. Cadmium in landelijke gemeenten
  5. PCB’s in Gent (incl. haven)
  6. Astma in Gent en Antwerpen (incl. havens)

Keuze Ministers

Op basis van desk research, het expertenadvies en de jurydiscussie (zie de verschillende rapporten en de beleidsnota van het fasenplan) is ervoor gekozen de cases 1, ‘dioxines, PCB’s en HCB in landelijke gebieden’ en 6 ‘astma in Gent en Antwerpen’ te selecteren voor fase II van het fasenplan: de mogelijke oorzaken van vastgestelde afwijkingen en de aanpak van mogelijke milieubronnen. Belangrijk argument voor deze keuze is volgens zowel experten als de jury dat beide cases vergeleken met de andere cases hoger scoren op ernst van het gezondheidsrisico. Case 6 komt bovendien op het vlak van beleidshaalbaarheid en maatschappelijke aspecten duidelijk als prioritair naar voren. De inhoudelijk bevoegde ministers hebben hun beslissing gebaseerd op deze adviezen.

Beide geselecteerde prioritaire cases zijn sterk verschillend. Enerzijds vormen de verhoogde waarden van dioxines, PCB’s en HCB in landelijke gebieden een lokaal gegeven met een belangrijk aandeel van historische milieuproblematiek. Anderzijds is het verhoogd voorkomen van astma in steden een sterk toenemend probleem. Het onderzoek naar de oorzakelijke verbanden tussen het verhoogd voorkomen van astma en milieuvervuiling kadert echter optimaal gezien in een Europees kader. Dit laatste werd ook bevestigd door de jury. Uitgaande van hun grote inhoudelijke verscheidenheid zal de beleidsaanpak van beide gevalstudies verschillen. Voor case 1 ‘dioxines, PCB’s en HCB in landelijke gebieden’ wordt verder onderzoek naar oorzaak en bron als eerste stap aanzien op basis waarvan concrete beleidacties zullen worden opgesteld. Voor case 6 ‘astma in Gent en Antwerpen’ zullen.een plan van aanpak worden uitgewerkt en kennisleemtes worden gedefiniëerd. Via berichtgeving in de Biomonitor zal u van verdere ontwikkelingen op de hoogte gehouden worden.